‘Stel je voor. In één keer dertig man op de koffie’ – De Groene Amsterdammer

Medium hh 49942257
Vluchtelingen in het dorp Oranje wachten op de bus © Kees van de Veen / HH

De buurtbus is sinds de laatste asielzoekers zijn vertrokken bijna iedere rit leeg. Dat was een half jaar geleden wel anders, toen vervoerden de vrijwilligers van lijn 520 tussen de Drentse dorpen Beilen en Smilde gemiddeld vierduizend reizigers per maand. Bij de halte van het asielzoekerscentrum in het dorpje Oranje stonden soms wel veertig mensen te wachten. Dan belde Willem Veldhuis, vrijwilliger en coördinator van de buurtbus, snel de beveiliging. In zijn busje is maar plek voor acht. Veldhuis: ‘Het maakte hun niets uit of ze er met twintig man in zaten, dat waren ze gewend. Maar zie ze er maar eens uit te krijgen.’ Op een gegeven moment zijn de vrijwilligers met drie busjes gaan rijden, vertelt hij.

Rechts grasland, links grasland. In het midden een kanaal, aan weerszijden huizen, en een opvallend groot wit pand. Dit is Oranje, je bent er zo weer uit, zegt Veldhuis. Het witte gebouw is Speelstad Oranje, het voormalige attractiepark van ondernemer Hennie van der Most. Op het hoogtepunt woonden er in het park zevenhonderd asielzoekers, verspreid over 260 vakantiebungalows die achter Speelstad Oranje liggen, ook wel ‘pipodorp’. Ideaal voor Syrische gezinnen, vonden gemeente en het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (coa) toen ruim drie jaar geleden bekend werd dat er een asielzoekerscentrum zou komen. Veel te veel op een dorp van 130 mensen, vonden de inwoners van Oranje.

Meerdere keren werd Veldhuis in de buurtbus geïnterviewd: Omroep Max herinnert hij zich, en RTV Drenthe. Dan wilden ze een item over asielzoekers: over hoe ze vervoerd werden, waar ze naartoe gingen. Soms vroegen journalisten hem: is er niet meer aan de hand? Nee, zei hij tegen ze. ‘Ik werd op een keer gebeld door de nos: als er relletjes waren, moest ik contact opnemen. Dat was nieuws, zeiden ze.’

‘Iedereen bemoeide zich ermee’, zegt waarnemend burgemeester Ton Baas van de gemeente Midden-Drenthe, ‘de bewoners, de pers, meneer Pauw, je kreeg zo een heel bijzondere situatie in Oranje. Er ontstond een dynamiek die je wel moet beheersen.’ Baas, die in 2016 werd uitgeroepen tot de beste burgemeester van een kleine gemeente vanwege zijn optreden in Oranje, zit in zijn kamer in het gemeentehuis van Beilen. Het is precies de plek waar hij in oktober 2015 overleg had met staatssecretaris Klaas Dijkhoff. ‘Hij belde mij die middag met de mededeling: “Er zijn zoveel vluchtelingen, ze zitten in bussen te wachten, ik kom ze nu brengen.”’ Er zouden zevenhonderd asielzoekers extra komen, bovenop de zevenhonderd die er al zaten. Dat doen we niet, had Baas gezegd. ‘Maar als je echt vindt dat je dit moet doen, kom het verhaal dan maar zelf vertellen aan de inwoners van Oranje.’ In de kamer van Baas hadden ze van tevoren ‘de punten en de komma’s’ doorgenomen.

Voor die inmiddels beruchte avond was Baas al een jaar in de weer met onderhandelingen over de opvang van asielzoekers in Oranje. Het coa was in 2014 wanhopig op zoek naar plaats voor vluchtelingen, met beide handen hadden zij het aanbod van Hennie van der Most aangegrepen om zijn noodlijdende pretpark af te huren als azc. Baas’ voorganger, burgemeester Jan Broertjes die vanwege een andere zaak in oktober 2014 moest aftreden, had vervolgens aan staatssecretaris Fred Teeven toegezegd dat er veertienhonderd asielzoekers naar Oranje konden komen. De nood om asielzoekers op te vangen was op dat moment zo hoog dat het snel ging: binnen korte tijd zaten er al zeshonderd asielzoekers.

‘De snelheid had iedereen verrast. Potverdomme, wat gebeurt er allemaal? Dat was zo’n beetje de status toen ik aantrad’, vertelt Baas. ‘Je moet als burgemeester op zo’n moment rust creëren. Ik vond die mogelijke uitgroei naar veertienhonderd een veel te zware belasting voor zo’n klein dorp. Ik heb daarom tegen de bewoners gezegd: die zeshonderd, daar houden we het bij.’ Maar eigenlijk ging hij daar niet over, dat was het coa. Na onderhandelingen met het coa werd de afspraak gemaakt dat er in azc Oranje maximaal plek zou zijn voor zevenhonderd asielzoekers. Baas riep een regiegroep in het leven om de gebeurtenissen rondom het azc in de gaten te houden. Er was duidelijkheid en een tijd leefden bewoners en asielzoekers redelijk harmonieus samen, zegt de burgemeester.

Maar toen kwam er dus een flinke hick up, aldus de woordvoerder van Baas. De burgemeester knikt: ‘In de persoon van onze Klaas.’ Op 6 oktober 2015 om half acht ’s avonds stond de burgemeester samen met Dijkhoff in dorpshuis De Windjammer. Een paar uur eerder hadden de bewoners een briefje in de bus gekregen met een uitnodiging voor de avond. Dijkhoff moest de inwoners gaan vertellen dat er nog eens zevenhonderd asielzoekers zouden bijkomen. Er was niks meer aan te doen.

Medium hh 50774262
© Corné Sparidaens / HH

Binnen en buiten stond ME, ook waren er agenten in burger. Maar het verliep allemaal redelijk rustig, herinnert Ton Baas zich. Tot Klaas Dijkhoff in de auto stapte en een vrouw de auto staande hield. Baas: ‘Dat was jammer, maar zij schoot in de emotie, met alle gevolgen van dien.’ De vrouw riep voor de aanwezige camera’s: ‘Dikke bmw, dikke bmw, jongens!’ Een agent in burger greep in: hij duwde haar hardhandig weg. Ze kwam ongelukkig terecht in de berm. De beelden zouden later viral gaan.

Uit woede over de gebeurtenissen hadden de inwoners van Oranje diezelfde avond de vier toegangswegen naar het dorp afgesloten met campers en auto’s. Baas zegt, met enige ironie in zijn stem: ‘Om twee uur ’s nachts ben ik afgereisd naar de Dam van Oranje om de bevolking te bewegen de barricade op te heffen.’ Hij vervolgt serieus: ‘Er was helemaal geen nare sfeer. We hebben gewoon gezegd: jongens, moeten jullie luisteren, jullie kunnen hier wel heldhaftig blijven staan, maar denk even aan die mensen en kijk ze vooral in die grote bange ogen. Als dat nou je hogere levensdoel is.’ Zonder problemen werd de barricade opgeheven, de bussen met asielzoekers konden erlangs. ‘De dag erna heb ik weer overleg met Dijkhoff gehad over die 110 man die er die nacht extra waren bijgekomen. Het aantal moest zo snel mogelijk terug naar zevenhonderd. Dijkhoff heeft dat gerespecteerd.’ Hij glimlacht: ‘Weet je, ik denk er met tevredenheid aan terug. Als ik zeg: ik ben burgemeester van Midden-Drenthe, weet geen hond waar het ligt, maar als ik zeg Oranje, weet iedereen meteen waar het over gaat. Het heeft dus op de een of andere manier impact gehad.’

‘Ik werd gebeld door de NOS: als er relletjes waren, moest ik contact opnemen. Dat was nieuws, zeiden ze’

‘Opstand in Oranje’, ‘Oranje legt bom onder draagvlak azc’s’, ‘Dorpsbewoners gaan staatssecretaris te lijf’ – enkele koppen die verschenen na de avond in het dorpshuis. 24 uur later worden de beelden van de vrouw die de auto van Dijkhoff staande hield bij Pauw getoond. Talkshow-host Jeroen Pauw: ‘Dit is toch wel het symbool van de machteloze burger tegenover de krachtige overheid. Hoe keek u naar dit beeld, Diederik Samsom?’ Samsom: ‘Een heel akelig beeld. Het is het symbool van de avond geworden. Ik hoop dat er positieve beelden bijkomen, ook voor het dorp en de opvang van de asielzoekers.’ Aan Dijkhoff wordt gevraagd of wat er in Oranje is gebeurd, waar het lokaal bestuur werd overruled, nog een keer kan gebeuren: hij hoopt van niet, maar met die enorme stroom vluchtelingen kan hij het niet uitsluiten.

De gebeurtenissen in Oranje zijn het startsein voor wekenlange berichtgeving over het wel en wee in het dorpje. In regionale kranten verschijnen artikelen met koppen als ‘Kans op Arabische verkeersborden’ en ‘Asielzoekerscentrum in Oranje is rustig’. Ook verschijnt er een serie met de naam Standplaats Oranje: dagelijks wordt verslag gedaan van wat er gaande is in dorp en omgeving. In het stukje Payday beschrijft een journalist van Dagblad van het Noorden hoe een groepje asielzoekers in de rij staat om te pinnen. Ze krijgen pasjes, maar begrijpen de automaat niet: ‘Je moet iets intoetsen. Maar wat? Geen idee. Ze duwen het pasje in de groene gleuf. Ze drukken op wat toetsen. Niets. Ze kijken schouderophalend achterom.’

In Oranje kwam een mediacircus op gang dat in stand werd gehouden door pers, politici en voor- en tegenstanders van het azc. Er ontstond een beeld dat de werkelijkheid beïnvloedde: gebeurtenissen deden zich voor dóórdat er zoveel media-aandacht voor het onderwerp was. Een jaar na de bewuste avond verschijnen er artikelen met zinnen als: ‘Hoe is het nu in Oranje?’ De Volkskrant: ‘Nog altijd is het evenwicht er broos: veel dorpelingen zien het azc toch liever verdwijnen.’ En Dagblad van het Noorden publiceerde dit jaar een artikel met de kop: ‘Asielzoekerscentrum Oranje verdeelt dorp nog steeds’. Burgemeester Ton Baas reageert gepikeerd: ‘Dat is volstrekt de verkeerde kop. Er is geen sprake geweest van verdeling. Je hebt gewoon te maken met mensen.’

Willem Veldhuis van de buurtbus, zelf geen inwoner van Oranje, geeft een korte tour door het dorpje. Hij wijst naar een vrijstaand huis: die waren tegen de asielzoekers. Die, aan de overkant: voor. Veldhuis stopt, de deuren van het busje gaan open, hij zegt: ‘Wat minder media-aandacht was beter voor het dorp geweest. De inwoners werden toch een beetje neergezet als een stelletje domme racisten.’ Dat besef is ook in Oranje doorgedrongen, de meeste dorpelingen zitten niet meer te wachten op een interview: ‘Dat boek is dicht’, antwoordt een van hen aan de telefoon op de vraag of hij wil vertellen over de periode van azc Oranje.

In café Oranjestein staat Wim Uildriks in blauw schort achter de toonbank. Zijn vrouw Tineke gooit een bestelling in de frituur. Toevallig was het café in de week dat het zo hoog opliep in Oranje alle dagen dicht. Uildriks: ‘We hadden vakantie. Iedereen stond hier voor de deur: Brandpunt, het NOS Journaal, PowNews. Ze mochten hier best even naar de wc hoor, maar zelf wilde ik absoluut niet voor de camera. Mensen kunnen wat je zegt snel verkeerd begrijpen.’

Maar aan de met een rood tapijt bedekte stamtafel van het lege café willen hij en zijn broer Henk voor een keer wel vertellen hoe het voor hen was. Op de achtergrond klinkt Alicia Keys uit de radio met het nummer New York. Aan de muur hangt een oude poster van een Amstel-biertje met een bos bloemen. ‘Hollanders en Drenten verstaan elkaar niet zo goed’, zegt Henk Uildriks. Hij verduidelijkt: ‘Het verhaal werd in de media verteld met grote spanning, alsof het dorp door de komst van het azc instortte.’ Maar het verhaal was eigenlijk heel simpel, gaat hij verder: ‘Stel je voor, je zit gezellig in je woonkamer koffie te drinken en er komen in één keer dertig man bij je op visite. Dan is de boel toch te klein? Nou, zo was het hier dus.’

Het was al voor hen beslist, ze moesten het er maar mee doen. Met de Albanezen die het kanaal ‘leeg’ visten, met mannen die zij aan zij – levensgevaarlijk – in het donker midden op de autoweg liepen en met blowende asielzoekers voor de deur. Maar dat terzijde. Het liefst denken de broers terug aan de kinderen die kwamen tekenen in het café. Wim: ‘Bij de firma waar ik mijn frikandellen bestel had ik vanwege een actie een doos met fluitjes gekregen. Ik dacht: weet je wat, ik geef ze aan die kinderen van het azc, dat is leuk. Ze waren er hartstikke blij mee. Maar vervolgens werd in het azc iedereen knettergek. Als je een azc wil laten ontploffen moet je de kinderen fluitjes geven.’ Hij lacht hard.

Henk valt hem bij. Ze hebben veel ijs verkocht aan de kinderen. Wim: ‘Als ze om “booza” vroegen wist ik dat ze uit Syrië kwamen.’ Henk vertelt over het driejarige jongetje dat iedere dag om half acht ’s ochtends aanklopte: ‘Stond hij daar op zijn kleine fietsje. Zijn moeder heb ik nooit gezien.’ Hij liet hem binnen en gaf hem soms een ijsje, maar meestal kreeg hij een bord met hagelslag. Dan zat hij aan de bar de hagelslag op te eten. Henk Uildriks doet het voor met zijn vinger. Daarna ging het jongetje weer de weg over, op zijn fiets. ‘Kijk maar goed uit voor de auto’s’, riep Henk hem na. Hij schrok toen het jongetje op een dag met de medicijnvoorraad van zijn moeder aan kwam zetten. ‘Hij had plastabletten bij zich en nog wat dingen. Godverdorie, dat kan toch niet’, dacht Henk bij zichzelf.

Ja, zeggen de broers, er gebeurden hier best rare dingen. Maar, zegt Henk met een ernstig gezicht: ‘Als je bedenkt wat die mensen allemaal hebben meegemaakt.’ Ze hebben verhalen gehoord, dat is niet te geloven: ‘We hebben mensen gesproken die duizenden euro’s hadden betaald voor de bootovertocht. Met eigen ogen hebben ze gezien hoe op honderd meter van de kust een moeder met kind van de boot afdonderde. ‘Niet achterom kijken, doorgaan’, kregen ze te horen. ‘Dat is toch vreselijk.’ Hij zucht.

Uit verschillende leefbaarheidsonderzoeken die de gemeente liet uitvoeren kwam naar voren dat de komst van het azc voor verdeeldheid zorgde binnen de gemeenschap van Oranje. Hebben de broers dit ook zo ervaren? Wim: ‘Natuurlijk was er een tweedeling. De een is rechts, de ander wat linkser. Maar ja, dat maakte verder niet zoveel uit hoor.’ Hij is even stil: ‘Er was hier verder niks aan de hand, het werd allemaal opgezweept. Je bent als dorpsgemeenschap niet opgewassen tegen hoe zoiets gaat.’

‘Die asielzoekers hebben er ook niet om gevraagd om in Oranje terecht te komen’

Een paar honderd meter verderop, aan de ‘stille kant’ van het Oranjekanaal, woont Gesa Eggens (60), assistente elektronica meet- en regeltechniek, samen met haar man Jan. Ze is blij dat de asielzoekers weg zijn. ‘We kunnen ons eigen dorpje weer zijn’, zegt ze aan de keukentafel. Drie jaar lang liet ze haar hond uit in haar tuin, in plaats van dat ze het ‘dorpsommetje’ liep dat achter het azc langs ging. ‘Je voelt je toch ongemakkelijk als je alleen in het bos loopt en je komt plotseling iemand tegen.’

Het idee dat er een tweedeling in het dorp was, herkent ze wel. Het is tussen de inwoners alleen nooit tot ruzie gekomen, voegt ze toe. ‘Je hebt gewoon een andere mening. Mijn man had er bijvoorbeeld helemaal geen last van, terwijl ik het niet fijn vond dat er hier zoveel asielzoekers zaten.’ Eigenlijk is het de afgelopen jaren best goed gegaan, erkent ze, maar ze somt op: de asielzoekers maakten lawaai, ze lieten overal afval achter: blikjes, koekverpakkingen en lege sigarettenpakjes, ze ‘annexeerden’ de steigers en het kanaal. ‘Onze kinderen moesten op een andere plek zwemmen.’ Eggens voelde zich kortom niet meer prettig in haar eigen dorp. Ze vervolgt: ‘Ik zat een keer op de fiets. Kwamen er drie mannen voorbij, die schreeuwden: “Hee, schöne Frau, fuckie, fuckie!” Wat kun je op zo’n moment beginnen?’ Haar man zei tegen haar: ‘Joh, er is toch niets gebeurd.’ Maar als vrouw is zoiets toch beangstigend, zegt ze.

In de zomerperiode runt Eggens een paar dagen in de week een terras in haar eigen tuin. Ze heeft de afgelopen jaren nauwelijks asielzoekers gehad die koffie kwamen drinken. En als ze kwamen bestelden ze bijna nooit iets. ‘Ze zochten denk ik een plekje om rustig te zitten.’ Eggens had op een gegeven moment – in overleg met het coa – een bordje met ‘Consumptie verplicht’ in het Arabisch geregeld. Een kind uit het azc had het voor haar gemaakt. Ze had de zin er voor de volledigheid ook in het Nederlands en Engels bijgezet. Later hoorde ze dat het Arabisch niet helemaal correct was, maar: ‘Ze begrepen wel wat er stond.’ Eén keer heeft ze erover gedacht om een praatje met een echtpaar uit het azc te maken. ‘Ik zag ze iedere dag als ik uit werk kwam. We zwaaiden dan even naar elkaar. Op een gegeven moment dacht ik: als ik ze weer tegenkom, stop ik de auto en nodig ik ze thuis uit. Die mensen zitten hier tenslotte wel in een vreemd land. Maar ik ben ze nooit meer tegengekomen.’

Medium hh 50795906
© Sake Elzinga / HH

In het tuincentrum van Jan Voortman kwamen ze allemaal, had de bestuurder van de buurtbus eerder die dag verteld. Hij had gewezen naar het huis waar Voortman woonde. Drie maanden geleden, vlak nadat de laatste asielzoekers vertrokken waren uit Oranje, is Voortman overleden aan acute leukemie. Onvoorstelbaar treurig, noemen verschillende bewoners van Oranje het. In de tijd van het azc waren ze maar wat blij dat Voortman de functie van ‘hangplek voor asielzoekers’ op zich had genomen.

Jan Voortman groeide in de drie jaar dat het azc er was uit tot een nationale bekendheid. De dag na de bijeenkomst met Dijkhoff in Oranje was hij te gast bij Pauw. Hij had eerder die avond een barbecue georganiseerd voor de asielzoekers, om ze een hart onder de riem te steken na alle gebeurtenissen. Voortman tegen Pauw: ‘Zij hebben er ook niet om gevraagd om in Oranje terecht te komen. De eerste de beste pinautomaat is zeven kilometer verderop.’ De dag na de uitzending schrijft Vrij Nederland over hem: ‘Een beter symbool van de vluchtelingencrisis dan deze vriendelijke Drent kunnen we ons niet wensen.’ Voortman, geboren Oranjenaar, had een tuincentrum waar hij allerlei soorten planten verkocht. Ook had hij een veld waar je ‘voetgolf’ kon spelen, een soort midgetgolf met een voetbal. In ieder nieuws-item vertelt hij even enthousiast over hoe het was gegaan: dat er een keer een asielzoeker binnenkwam voor een ei, de volgende dag stonden er al tien asielzoekers. Hij had maar negen kippen, dus dat werd lastig. En zo was hij begonnen met zijn Arabische winkel. Hij verkocht groenten, Arabisch brood, kruiden en op een gegeven moment zelfs waterpijpen en fietsen. Wekelijks gaf hij barbecues voor de asielzoekers, iedere vrijdag mochten moslims in zijn kas bidden. Er werd Nederlandse les gegeven, op het land paard gereden, aan de bar gehangen, samen Kerst gevierd, maar ook het Suikerfeest.

Hij creëerde een plek waar de asielzoekers konden ontspannen en waar ze zich thuis voelden, vertellen de mensen die hem kenden. In de kas, die volgens het bord aan de kant van de weg nog altijd drie dagen per week open is, trekt Larisa Quist een doorgeschoten courgette van een plant. De eetbare tuin die ze samen met Jan wilde aanleggen, is overwoekerd. Er gebeurt hier helemaal niks meer, zucht ze. ‘Ik mis de asielzoekers, ik mis Jan, er is hier niemand zoals hij.’ Hoe anders was het nog geen jaar geleden. Toen draaide Quist, eigenlijk zadelmaker, zeven dagen per week met Jan Voortman de Arabische winkel. Een paar keer in de week werd er Syrisch gekookt en aten ze samen met de asielzoekers, en haar kinderen en man, in de kas.

‘Veel mensen denken dat Jan veel aan de asielzoekers heeft verdiend, maar dat viel reuze tegen. Hij gaf denk ik te weinig om geld’, zegt Quist. ‘Soms maakte ik de grap: waren er nog maar zevenhonderd bijgekomen, dan hadden we er nog wat op verdiend’, zegt ze lachend. Daarbij liep het tuincentrum door de Arabische winkel niet meer: ‘Mensen hadden geen zin om hier hun planten te kopen. Er zijn denk ik wel 150 journalisten hier geweest: hij stond in iedere krant, was op televisie en ga zo maar door. Mensen uit deze buurt houden daar niet van, die dachten: heb je hem weer met die asielzoekers. Maar Jan zelf wilde dat niet zien hoor, het maakte hem allemaal niks uit wat ze van hem dachten.’

Quist scrollt door foto’s met lachende gezichten in haar telefoon: een barbecue, het kerstfeest, nog een barbecue, er was altijd wel iets te doen. Was het echt zo idyllisch? ‘Tuurlijk werd er ook wel gestolen uit de winkel. Dat is alleen nooit naar buiten gekomen, je moet ook bedenken: die mensen hebben niks!’ Ze denkt terug aan die keer dat Omroep Max langskwam: ze wilden een serie maken over ‘het Oranjegevoel’. De omroep had geld gegeven en daarvan had Jan Voortman materiaal gekocht om lampionnetjes te knutselen met de kinderen uit het azc.

‘De camera’s liepen. Jan kwam binnen met volle tassen van de Action: met leuk papier erin, glitterstiften en ga zo maar door. Ik had iets bedacht dat je vrij snel met ze kon maken…’ Quist pauzeert en vervolgt: ‘Nou, werkelijk waar, ik wist niet wat me overkwam: ze zagen die tassen, en binnen no time kreeg ik veertig graaiende kinderen over me heen. Mijn eigen zoontje was er ook bij, die zat alleen maar te huilen, hij begreep er niks van.’ De kinderen waren met al het knutselmateriaal hard weggerend, terug naar het azc. ‘Jan erachteraan om die zakken terug te halen. Het was bizar, maar het is natuurlijk te begrijpen: waarschijnlijk hadden ze al weken niets leuks gehad.’

Voortman greep daarna meteen in: ‘Zet die camera uit’, had hij gezegd tegen het team van Omroep Max. Het moest een positief item worden, vond Voortman. ‘Daar waren die journalisten het wel mee eens’, zegt Quist: ‘Ze hebben de bewuste beelden dan ook niet gebruikt. Van dat knutselen kwam niks, maar het lukte uiteindelijk wel om alle kinderen gezellig aan tafel te krijgen voor de draaiende camera.’ Waarom wilde Voortman zo graag een positief verhaal? Quist reageert fanatiek: ‘Omdat heel Nederland toen anti was. Het was de maand na al dat gedoe. Het moest goed gaan.’

Powered by WPeMatico

AdSense